top of page

Étienne Jacobée

Boekaert_Handtekening.jpg

Zijn arena is die immense, eenzame smederij waar hij urenlang zit te lezen, waar hij slaapt, eet en vooral sculpturen maakt die zich ontvouwen van de meest minieme vorm tot de meest monumentale, boomachtige vertakking. Samengevoegde stalen segmenten veranderen in lianen die de ruimte innemen met kronkelende, maar altijd opwaartse bewegingen. Het materiaal rijst omhoog en lijkt zich eindeloos te kunnen verheffen naar de meest geheimzinnige hoogten van de hemel.

Het staal is hier en daar beschilderd en gepolijst, terwijl de lasnaden en ruwe reliëfs bewust zichtbaar zijn gelaten. Het zoekt tastend zijn weg en tekent complexe landschappen, als een aarzelend handschrift. Het zijn kronkelende lijnen die niets gemeen hebben met het modernistische rationalisme van Calder, maar eerder een metafoor lijken voor de complexiteit van de natuur, die hier tot een totem wordt verheven.

De indruk van dichtheid die daaruit ontstaat — en die vermoedelijk samenhangt met een onweerstaanbare formele obsessie — zou zowel een soort wedergeboorte van de natuur kunnen verbeelden als een vitale zoektocht om zich te bevrijden van knellende banden — hier voorgesteld als lianen — en zo een poort naar de vrijheid te bereiken. Een esthetiek die het archaïsche raakt om wortel te schieten.

Zo droomt Étienne Jacobée, de smid. Hij droomt, uitkijkend op het donkere bos van Chantilly, vol vochtige, eeuwenoude wortels, dat langs zijn fabriek-atelier ligt.

Julie Chaizemartin, Visite de l'atelier, januari 2024

bottom of page